| In een lege straat loop ik 's avonds laat |
| In de richting van je huis |
| En ik droom dat je heel zachtjes huilt |
| In je eentje voor de buis |
| Ik sta voor je deur en ontdek de geur |
| Van de bloemen in je tuin |
| Bij de treurwilg zit een nachtegaal |
| Te zingen in de kruin |
| En ik wacht op een fee die de aarde betreedt |
| En haar tijd aan al mijn wensen besteedt |
| Met haar toverstok zwaait, tot jouw deur open waait |
| En jij in mijn armen zweeft zolang ik leef |
| Ik aanbid je lach |
| Als ik elke dag heel verlegen naar je staar |
| En ik volg je zachte handen door |
| Je lange zwarte haar |
| Als een redder in nood spaar ik jou van de dood |
| In de film waarin ik speel |
| Maar de blik die in je ogen waakt grijpt me naar de keel |
| En ik wacht op een fee die de aarde betreedt |
| En haar tijd aan al mijn wensen besteedt |
| Met haar toverstok zwaait, tot jouw deur open waait |
| En jij in mijn armen zweeft zolang ik leef |
| En ik leef op de grens tussen waarheid en wens |
| Maar ik droom ook maar als elk ander mens |
| Als ik maar hard genoeg om jouw liefde zwoeg |
| Misschien helpt zij dan wel mee |
| De goede fee |